Tempo  un'ora 28 minuti

Coordinate 725

Uploaded 7 aprile 2014

Recorded aprile 2014

-
-
87 m
35 m
0
1,9
3,8
7,66 km

Visto 12900 volte, scaricato 166 volte

vicino Groningen, Groningen (Nederland)

Heerlijk wandelen langs groot aantal bekende en minder bekende Groningse Gasthuizen en historische gebouwen in Groningen binnenstad, Martinikerkhof, Prinsentuin, Noorderplantsoen, Synagoge, Korenbeurs enz..

Parkeren in de Boterdiep garage.

1-Juffer Tette Alberdagasthuis
2-Middengasthuis (KleineRozenstraat)
3-Gerarda Gockingahuis
4-Jacob en Anna gasthuis
5-Zeyls Gasthuis
6-Het Gotische Huis en het Canterhuis
7-Aduarder gasthuis
8-Pelster gasthuis
9-Sint-Anthony gasthuis
10-Pepergasthuis of St-Geertruidsgasthuis
11-Aafyn Wilsoor Gasthuis
12-Anna Varwers Gasthuis
13-Sint Martinus gasthuis
14-Pieternella gasthuis
15-Middengasthuis(GroteLeliestraat)

verder langs
-Het Kasteel
-Westelijke Bewaarschool
-De sleutel
-Der Aa-kerk
-Noordelijk Scheepvaartmuseum
-St-Jozefkathedraal
-Synagoge
-Martinikerkhof
-Prinsenhof
-NieuweKerk
-infoversum 3d full-dometheater


Gasthuis is het Groningse equivalent van wat in andere steden veelal met hofje wordt aangeduid. Het begrip gasthuis bestond al in de Middeleeuwen.

In de Middeleeuwen ging het in eerste instantie om huizen waar zieken (pestlijders), armen en pelgrims werden opgevangen. Het oudste gasthuis in Groningen, het Pelstergasthuis, stond aan de rand van de stad, waarschijnlijk gesticht als pelgrimsoord. Van het Pepergasthuis is bekend dat het is gesticht als verblijf voor pelgrims. Het Armhuiszitten Convent is de eerste poging van het stadsbestuur om enige orde aan te brengen in de voorzieningen voor de armlastige stadjers, het convent beheerde niet alleen enkele gasthuizen, maar was ook verantwoordelijk voor de voedseluitdeling voor de stille armen in de stad.

Vanaf 1600 krijgen de gasthuizen meer en meer de functie van bejaardentehuizen. De oudste gasthuizen waren kerkelijke stichtingen, later werden ze ook door welgestelde burgers gesticht. Door de bouw van moderne bejaardentehuizen zijn de meeste bejaarden vertrokken en veel hofjes vervallen geraakt. Na een grootscheepse restauratie in de jaren tachtig van de twintigste eeuw is een aantal gasthuizen nu tot rijksmonument verklaard.

View more external

De ondergrondse parkeergarage Boterdiep is onderdeel van het Ciboga-project en telt 1200 parkeerplaatsen en is daarmee de grootste garage van Nederland die bestaat uit 1 verdieping. Het vloeroppervlak meet 290 bij 120 meter, zo’n vijf voetbalvelden groot. De parkeergarage Boterdiep is van ma - za geopend van 07.30 tot 21.30 uur. Op zondag van 07.30 tot 18.00 uur. 24 Uur uitrijden is altijd mogelijk. De garage is bedoeld voor binnenstadsbezoekers, bewoners bóven de garage, buurtbewoners, personeel en bezoekers van het Universitair Medisch Centrum Groningen, UMCG. Voetgangers kunnen de garage in en uit via de volgende entrees tot het terrein: Jodenkamp(noord), Bloemsingel(oost), Bloemstraat (zuid) en Silo(west). Voorzieningen - Invalide toilet; - Lift; - Grotere parkeerplaatsen gereserveerd voor mensen die gespecialiseerd vervoer nodig hebben; - Camerabewaking; - Accustarter; Abbonementen 7x24 uur 114,05 per maand 6x24 uur 103,05 per maand 5x24 uur 99,40 per maand ma-vr van 07.00 uur tot 19.00 uur: 87,40 per maand http://www.groningenparkeren.nl/parkeergarages/boterdiep/
Het Juffer Tette Alberdagasthuis (ook kortweg Tette Alberdagasthuis is een gasthuis in de stad Groningen. Het huidige hofje staat aan het Nieuwe Kerkhof en dateert uit 1778. Juffer Tette Alberda, een telg uit een Ommelander geslacht, stichtte in 1658 een gasthuis voor zes oude vrouwen in twee panden aan de Nieuwe Boteringestraat. Zij bewoonde zelf een huis aan die straat, het gasthuis werd gesticht in de twee belendende panden. In 1778 verhuisde het gasthuis naar het huidige pand. De voogdij over het gasthuis is nog steeds in handen van nazaten van Juffer Tette.
Het Middengasthuis is gesticht door het Algemeen Diakengezelschap. Deze in 1838 opgerichte vereniging van Nederlands-hervormde diakenen en oud-diakenen wenste zich niet alleen bezig te houden met het eigen 'vriendschappelijke verkeer'. Zij stelde zich ook ten doel 'liefdadige instellingen' op te richten en in stand te houden 'tot nut der armen'. Zo werden in 1843 aan de toenmalige Violetsteeg, 'twaalf armenwoningen' of kamers gebouwd en vier jaar later had het Gezelschap verspreid over de stad al zeven door de diaconie beheerde complexen van 'kamers'. In 1867 besloot het Algemeen Diaken Gezelschap een gasthuis te stichten voor 'fatsoenlijke, oppassende handwerkslieden en dienstboden, te min vermogend om een plaats in een gasthuis met een hooge inkoopsom en nog te goed om eene plaats in het diaconiegasthuis te zoeken'. Drie jaar later werden aan de Kleine Rozenstraat twee behuizingen en een tuin gekocht en uit het Gezelschap ontstond de vereniging 'het Middengasthuis'. Nadat zij op 7 november 1872 koninklijk was goedgekeurd en de bebouwing was gesloopt, werden er het volgende jaar 21 nieuwe 'woonkamers' neergezet. Langs de noord- en oostrand van de tuin stonden leilinden tegen de 'schadelijke' zonnestralen en het midden deed dienst als bleekveld. Naast de pomp was er ook ruimte voor een kleine groentetuin. Hervormden van 55 jaar en ouder konden zich een plaats in het gasthuis kopen. Aan de Kleine Rozenstraat werd het Middengasthuis in de loop der jaren door aankopen met zes huisjes uitgebreid (huidige nummers 8 t/m 14) maar vanwege het succes werd het alsnog te klein. Daarom werd in de nabijgelegen Grote Leliestraat in 1895 een tweede Middengasthuis gesticht. Twintigste eeuw[bewerken] Lange tijd voorzagen beide gasthuizen in een behoefte maar na de Tweede Wereldoorlog veranderde dat geleidelijk. De criteria voor bewoners van het Middengasthuis vervaagden en het hofje viel steeds meer onder de sociale woningbouw. Met een aantal anderen vormden de Middengasthuizen in 1968 de Verenigde Groninger Gasthuizen, die enige jaren later in de Oosterparkwijk twee nieuwe huizen neerzetten. Het gasthuis aan de Kleine Rozenstraat werd verkocht aan een bouwbedrijf en toen de gemeente het in 1978 'niet renoveerbaar' noemde werd het hofje met de sloop bedreigd. Na protesten van de (meest jonge) bewoners en de buurt, en onder invloed van veranderende inzichten, ging het gemeentebestuur overstag. In 1981 werd door woningbouwvereniging Gruno een gerenoveerd Middengasthuis opgeleverd met 18 deels vergrote woningen. Tegenwoordig is woningcorporatie Nijestee (waarin Gruno via een fusie is opgegaan) eigenaar van het gasthuis.
Het Gerarda Gockingagasthuis is een gasthuis in de stad Groningen. Het staat aan de Grote Rozenstraat in de Hortusbuurt. Het gasthuis werd in 1870 gesticht door jonkheer Wolther Gockinga ter nagedachtenis aan zijn vrouw, Gerarda Wolthers. In 1882 en 1891 werd het uitgebreid. Het was bestemd voor vrouwen die als dienstbode hadden gewerkt en ongehuwd waren gebleven dan wel weduwe waren geworden. De huisjes werden in het begin van de jaren zeventig van de twintigste eeuw aangekocht door de universiteit die fors wilde uitbreiden in de Hortusbuurt. Na aanpassing van die plannen kon het gasthuis behouden blijven. De huisjes worden tegenwoordig bewoond door particulieren.
In de overgangszone tussen de historische stadskern en de schilderswijk ligt, op één van de voormalige stadswallen, een sprookjesachtige pand. Een eeuw geleden gebouwd als onderkomen voor de vakgroep geologie van de Universiteit Groningen. Dit Mineralogisch-Geologisch Instituut, dat in de volksmond bekend stond als het ‘Vlintenhoes’ maar tegenwoordig beter bekend is als ‘het Kasteel’ bepaalt tezamen met het eveneens door deze bouwmeester gebouwde Natuurkundig Laboratorium het aanzicht van de hoek Westersingel met de Verlengde Visserstraat en de Melkweg. Het Neo-Gotische gebouw met de toren van Foucault met zijn bekende slinger, de hal met de geometrische patronen en het Escherplafond, het trappenhuis met de glas-in-lood doorkijkjes, de gotische spitsboogramen en de rijk versierde trappenhuizen is een architectonische bezienswaardigheid, een museum op zich. W.F. Hermans Naast de bijzondere architectuur is het Kasteel misschien nog wel bekender door één van zijn illustere vroegere bewoners, W.F.Hermans, zowel bekend om zijn schrijfkunst alswel om zijn wel heel bijzondere verhouding met de Universiteit en zijn studenten. Noorderpoort Tot in de jaren negentig heeft de Rijksuniversiteit het gebouw met zijn rijke historie in haar bezit gehad, maar in juli 1996 heeft het Noorderpoort het gebouw overgenomen. Omdat het gebouw geen onderwijskundige functies meer vervulde, heeft, om er voor te zorgen dat het gebouw niet totaal in verval zou raken, de Anti-leegstandsclub Carex er een paar jaar gehuisvest. Restauratie Na overname van het Kasteel en het ernaast gelegen Natuurkundig Laboratorium en de daarbij behorende grond, is begonnen met de restauratie onder Monumentenzorg. Zo zijn o.a. de leisteendaken opnieuw ingelegd, de glas-in-lood ramen gerepareerd, de ruimtes zoveel mogelijk in de oorspronkelijke vorm teruggebracht en, na historisch kleuronderzoek, de nieuwe verfkleur bepaald. De onder Monumentenzorg staande restauratie heeft geresulteerd in een uitstraling die bij de grandeur van een dergelijk monumentaal pand past. Ook de inrichting is aan de nieuwe functie van het gebouw aangepast.
Op 28 februari 1891 richtten B. Olthoff en andere bewoners van het snel groeiende ‘westelijk en zuidwestelijk gedeelte der gemeente’ zich tot B & W. Zij wilden graag een openbare Lagere School en een Bewaarchool in de buurt van de Westerhaven. Voor de lagere school vond het college ‘vooralsnog geene termen’, maar een Bewaarschool mocht er wel komen. Het schoolgebouw staat vrijstaand gesitueerd op de hoek van de Westerbinnensingel en de Verlengde Visserstraat en is gebouwd als Westelijke Bewaarschool met onderwijzerswoning, naar ontwerp van stadsbouwmeester A. Schram de Jong in een rijk versierde, eclectische bouwstijl met kenmerken van de neorenaissance en de neogotiek. De school kreeg zes lokalen voor in totaal zo’n 340 leerlingen. In twee lokalen kwamen zandbakken en openslaande deuren naar de veranda, waardoor de ideeën van de Zwitserse pedagoog Wilhelm Fröbel beter in praktijk konden worden gebracht. Al ‘fröbelend’ met blokken, snippers of ander materiaal zouden de kleuters ontdekkend leren, was de algemeen aanvaarde opvatting. Tijdens de 2e wereldoorlog werd het gebouw tijdelijk gebruikt door andere scholen en voor de distributie. De Westerbewaarschool werd zolang ondergebracht aan de Nieuwe Kijk in ’t Jatstraat. Na de oorlog keerden de kleuters in het gebouw terug, maar de school ging nu De Margriet heten. Door een teruglopend leerlingenaantal maakte het kleuteronderwijs in 1959 plaats voor het onderwijs aan de ‘zeer moeilijk lerende kinderen’ van de Prof. R. Casimirschool en - na een fusie - de Erasmusschool. Het gebouw is sinds 1994 in gebruik als kantoor en depotruimte van de Stichting Monument & Materiaal en de Gemeentelijke bewaarplaats voor bodemvondsten. Het gebouw is opgetrokken op een in hoofdvorm rechthoekige plattegrond en telt één bouwlaag onder hoge zadeldaken, belegd met zwarte sneldekkers. De gevels worden afgesloten door een fries van gekleurde baksteen met ruitvormige en cirkelvormige patronen en gekleurde baksteenconsoles die de bakgoot dragen. De gevels zijn opgetrokken uit roodgrijze baksteen en uitbundig verlevendigd met gekleurde baksteenornamentiek en smeedijzeren muurankers. De risalerende hoekgedeelten zijn, evenals de beëindiging van de zijgevel voorzien van hoge topgevels met een afdekking van rode baksteen. Boven het venster aan de Verlengde Visserstraat is een grote rondboog aangebracht met tandlijsten van gekleurde baksteen, die rust op halfzuiltjes met natuurstenen kapitelen en consoles. In de topgevel hierboven bevindt zich een rondvenster met stervormige roedeverdeling. Het venster van het risaliet aan de Westerbinnensingel wordt geflankeerd door boogstellingen op halfzuiltjes en bevat in de topgevel een waaiervormige baksteendecoratie.
Hedendaagse kwaliteit in een eeuwenoud pand Het biervaatje op de hoek met sleutel herinnert aan de eeuwenoude brouwersbestemming van Café De Sleutel. Lang vervlogen tijden zijn voelbaar aanwezig voor wie in het pand van de moderne mogelijkheden geniet. Het café is van maandag tot en met zaterdag open vanaf 16.30 uur. U drinkt bij ons een goed glas wijn of een lekker biertje. Wilt u dineren dan bieden wij "Eten wat de pot schaft" voor €10,00. Vanaf €4,50 per gerecht breidt u uw diner uit met het voorgerecht van de dag, en voor € 4,50 serveren we een lekkere huisgemaakte toet. Vegetarische gerechten zijn altijd aanwezig (zolang de voorraad strekt). Café de Sleutel is -op afspraak- 7 dagen per week geopend voor uw vergadering, promotieborrel, verjaardagsfeest, afstudeerborrel, lunch, receptie en diner. Het pand heeft meerdere zalen, zoals de Sociëteit en De Groote Sleutel, en kan in totaal 300 personen herbergen. U maakt gebruik van gratis wifi.Wilt u meer weten? Bel 050-3181454
Het Jacob- en Annagasthuis is een hofje aan het Gasthuisstraatje in de Nederlandse stad Groningen. Geschiedenis[bewerken] Het Jacob- en Annagasthuis werd gesticht op het einde van de 15e eeuw door Jacob Grovens en zijn vrouw Eteke Sluchtinge. De stichtingsbrief is van 19 februari 1495.[1] Het gasthuis werd in opdracht van de ouders van Etteken opgericht ter ere van Anna, de moeder van Maria, en van de apostel Jacobus.[2] Het gasthuis was bedoeld als goedkope huisvesting voor 12 arme Groningers, die er kost en inwoning genoten. Het gasthuis kreeg vanwege het uitgedeelde voedsel als bijnaam Lekkerbeetjesgasthuis. In 1539 kon het aantal plaatsen met 5 worden uitgebreid door een legaat van mr. Ulphart Sibrandes, proost te Loppersum.[1] In 1899 overleed in het gasthuis de toenmalige oudste inwoner van Nederland op 110-jarige leeftijd, die 34 jaar in het gasthuis had gewoond. In 1976 werd het gasthuis gesloten en verkocht aan de BV Stadsherstel die er studenten in huisvestte. In 1982 werd het als complex woningwetwoningen, namelijk 15 "Van Dam-eenheden" voor één en tweepersoons huishoudens, met enkele gemeenschappelijke ruimtes, geschikt gemaakt voor bewoning in de huidige tijd door de Maatschappij tot Verbetering van Woontoestanden (tegenwoordig De Huismeesters).
Opgericht: 1668 Aleijda Engelma [1724-1782] was voogd van het gasthuis van 1763-1782. Doordat zij gehuwd was met Mr Cornelus Geertsema kwam de voogdij oa. bij de familie Geertsema. Egberta Louisa Beckeringh [1740-1810] (links) in 1761 gehuwd met Johan Hora Siccama [1738-1812] (rechts). Johan was voogd van het gasthuis van 1779 tot zijn dood [scan van een fotocopie uit Stad en Lande, Cultuur- historisch tijdschrift voor Groningen 1992, 15] Roelina Johanna Emmery [1757-1818] (links) in 1783 gehuwd met Mr Jan Herman Geertsema [1755-1837] (rechts). Jan was voogd van het gasthuis van 1788 tot 1831 [scan van een fotocopie uit Nederlands Patriciaat 50e jrg, s'Gravenhage 1964, 160] Mr Johan Herman Geertsema [1816-1908] was voogd van 1862 tot 1868 [scan van een fotocopie uit Nederlands Patriciaat 50e jrg, s'Gravenhage 1964, 161]
De Der Aa-kerk is een gotische kruisbasiliek. De naam van de kerk verwijst naar de Aa, een riviertje dat in die tijd een belangrijke functie had voor de schippers en kooplieden in het westelijke stadsdeel. De kapel, die oorspronkelijk niet veel groter was dan een flinke dorpskerk, was gewijd aan de heilige Nicolaas (ofwel Sinterklaas), die onder andere beschermheilige is van zeelieden en handelaars. Daarnaast was hij ook aan de heilige Maria gewijd. De kleine romaanse kruiskerk die in de dertiende eeuw werd gebouwd, werd in de vijftiende eeuw vergroot tot een gothische kruisbasiliek. De eerste vier eeuwen van zijn bestaan was de kerk katholiek. Tijdens de Reformatie of Hervorming ging het gebouw over in handen van de hervormden, die er in de vier eeuwen die volgden hun stempel op drukten. In de jaren zeventig van de vorige eeuw werd de last van drie monumentale kerken in de Groninger binnenstad (de Der Aa-kerk, de Martinikerk en de Nieuwe Kerk) te groot voor de Hervormde gemeente. Na een ingrijpende restauratie ging de kerk in 1987 over naar de Stichting Der Aa-kerk en heeft de kerk nu een zakelijke en culturele functie. Erediensten worden er niet meer gehouden.
About the museum PDF The Northern Maritime Museum (Noordelijk Scheepvaartmuseum) tells the history of the northern Dutch shipping and shipbuilding from the Middle Ages until today. The museum is housed in two medieval buildings. A variety of subjects are being displayed in the museum, such as: Hanseatic shipping in the Middle Ages Virtual Groningen in 1470 Peat shipping and inland navigation Coastal - and Wadden Sea navigation Shipbuilding in wood and iron Ship engines As a member of the association Noordelijk Scheepvaartmuseum (only € 15,- per year) you’ll be informed about our activities, you’ll receive the annual and you’ll get free entrance. Do you want to become a member? Click here! Plans for the future: ‘Towards a new museum’ In the year 2007 the Noordelijk Scheepvaartmuseum presented a new vision for the future of the museum. Apart from a complete redecoration of the maritime department, a new pillar will be added to the museum: the building history and the history of the owners and tenants (inhabitants) of the two beautiful medieval buildings in relationship to the more common social and economic history of Groningen. Points of interest in the vision for the future are: special attention on the history of the buildings and their inhabitants more museum events will take place outside of the museum walls more focus will be put on educational projects the story of people will become a more central point of interest big adjustments to the decoration and furnishing expansion and improvement of the museum facilities The implementation of these future plans will take several years. When finished the museum expects to be able to welcome a lot more visitors.
Vergenoegd stelde de reizende dominee Potter aan het begin van de 19e-eeuw vast dat in de Brugstraat ‘alle de oude lompe duistere gevels van de veertiende en vijftiende eeuw weggeruimd’ waren. Het Canterhuis (nr. 26), in oorsprong een middeleeuws zaalhuis, had inderdaad al een ander jasje gekregen en zou in 1872 ook nog een nieuwe voorgevel krijgen. Het Gotische Huis (nr. 24) behield daarentegen, zoals de naam al aangeeft, wel veel oorspronkelijks. De eerste ingrijpende verbouwing van het laatstgenoemde pand vond plaats rond 1445 en kwam op het conto van de bierbrouwende burgemeester Evert Wygboldus. Het onderste deel van de voorgevel met zijn rijk geprofileerde pilasters is echter van latere datum. Mogelijk van omstreeks 1500, toen ook het achterhuis werd gebouwd. Nadat lakenhandelaar Hendrick Helmichs in 1603 een hele reeks bierbrouwers was opgevolgd als eigenaar, werd het Gotische Huis opnieuw ingrijpend verbouwd. De top verloor toen waarschijnlijk zijn karakteristieke Gotische ‘pinakels’ of ‘tempels’, zoals de Groningers ze plegen te noemen. Bij deze verbouwing werden de voordeur, in de meest linkse travee, en drie hoge kruisvensters ernaast vervangen door twee rijen vierkante vensters. Dit hing samen met de verbouwing van de hoge woonzaal erachter tot een opslagruimte van twee verdiepingen. Na een constructief ingrijpende maar stilistisch terughoudende restauratie, werden de panden in 1978 het domein van het Noordelijk Scheepvaartmuseum en het Niemeyer Tabaks Museum.
Het Aduardergasthuis is een voormalig gasthuis in de stad Groningen. Het ligt aan de Munnekeholm. Het gasthuis staat op de plek van het vroegere Blaauwe Huis, dat onderdeel vormde van het refugium waar monniken van het Klooster van Aduard hun toevlucht hadden gezocht tijdens de Tachtigjarige Oorlog. Mogelijk werd dit huis in 1588 aangekocht. Het refugium strekte zich uit van de stadsmuur bij het Zuiderdiep tot aan de Schuitemakersstraat. Bij de Reductie van Groningen in 1594 kregen de protestanten de macht en dreigde het pand door de Staten van Groningen te worden geconfisqueerd. De monniken mochten er echter eerst blijven wonen. In 1599 kreeg de laatste kloosterabt Willem Emmen (Wilhelmus Emmius) zelfs de kans het pand te kopen. Op 1 juni 1604 maakte hij zijn testament, waarin hij schreef het bij zijn dood (rond 1613) na te laten als gasthuis voor acht oude, schamele personen van het vrouwelijk geslacht, waarvan drie er al woonden. Aanvankelijk hoefden de bewoners niets te betalen voor hun verblijf, maar dienden ze hun eventuele nalatenschap wel af te staan aan het gasthuis. Later werd dit veranderd: Nieuwe bewoners dienden zich nu middels een eenmalige betaling in te kopen. De voorkamers waren daarbij iets duurder dan de achterkamers en de nieuwe bewoner diende ook wat geld te geven aan de overige bewoners en hen tevens een 'bruiloft' te geven. In ruil daarvoor kreeg de bewoner zijn of haar verdere leven gratis inwoning, gratis turf en brood, alsook elke maand een som geld, vaak vermeerderd met extra's zoals 'paaschgeld' in april en 'erwten-, boonen- en spekgeld' in november. Bij het gasthuis behoorde tot in de 18e eeuw ook een brouwerij. In de 18e eeuw raakte het pand steeds bouwvalliger, waarop het in 1775 geheel opnieuw werd opgebouwd met klassieke en rococoelementen naar een ontwerp van timmermansbaas G. Bondsema. In 1927 schreef het Nieuwsblad van het Noorden dat er 9 vrouwen van boven de 50 woonden. Daarop veranderde het pand van functie: Ongeveer 50 jaar later bestond de helft van de 9 bewoners uit studenten. Begin jaren 1980 verdween de laatste oude bewoner uit het pand, waarop de Groningse Stichting Studenten Huisvesting (SSH; sinds 1994 onderdeel van woningbouwvereniging Lefier) in juni 1986 het pand kocht om het te gebruiken voor studentenhuisvesting.
De synagoge in de stad Groningen is een schepping van de architect Tjeerd Kuipers. Volgens een artikel van Gerrit de Jong en Kees van der Ploeg, 'Gereformeerde kerken in de provincie Groningen', in het blad Groninger Kerken 1993, deel 3, 65, werkte Tjeerd Kuipers voor de synagoge samen met architect Ytzen van der Veen. Over Ytzen van der Veen is niet veel bekend, wel bevindt zich in de Groninger archieven een plattegrond van de synagoge, gemaakt door Ytzen van der Veen. Beiden werkten onder andere ook samen bij de bouw van de Zuiderkerk in de Stationsstraat te Groningen. Het kruisvormige gebouw werd in 1906 ingewijd en kenmerkt zich vooral door de Moorse stijl, met veel oosters aandoende hoefijzer- en sleutelgatbogen in de ramen en galerijen. Deze nieuwe synagoge verving een gebouw uit 1756 dat te klein, maar vooral te bouwvallig was geworden. De oriëntaalse stijl ontleende men aan de synagoge in Berlijn. Deze stijl werd overigens door de architect Gottfried Semper geïntroduceerd met diens synagoge in Dresden. De Groningse synagoge bood voor de Tweede Wereldoorlog plaats aan ruim zeshonderd synagogegangers. In 1942 werd het gebouw door de bezetters gesloten en vervolgens gebruikt als opslag- en verzamelplaats voor radio's, koper en tin. De kostbare thorarollen en liturgische voorwerpen werden verborgen in de kluis van een bankgebouw in Groningen. Slechts ongeveer tweehonderd van de 2800 Groningse joden overleefden de oorlog. De joodse gemeente zag zich daarom genoodzaakt het gebouw in 1952 te verkopen. De nieuwe eigenaar was het Apostolisch Genootschap. Zij gebruikten het gebouw voor hun doordeweekse en zondagse samenkomsten. De synagoge werd later, tot 1975, een wasserij met de naam Astra. Na deze periode van verpaupering en vervolgens enkele jaren leegstand besloot de Groningse gemeenteraad het gebouw aan te kopen en te restaureren. In 1981 werd de synagoge heringewijd door rabbijn Jacobs. Sindsdien wordt de synagoge gebruikt als 'sjoel' door de joodse gemeente Groningen en als culturele ruimte voor concerten, exposities, rondleidingen en educatie door de Stichting Folkingestraat Synagoge. De buitenzijde werd in 2011 opnieuw gerestaureerd.
Het Pelstergasthuis is een gasthuis (hofje) in Groningen. De officiële naam is het Heilige Geestgasthuis, maar algemeen wordt het genoemd naar de Pelsterstraat, waaraan het staat. Het is het grootste en waarschijnlijk ook het oudste gasthuis van Groningen, en een van de oudste gasthuizen in Nederland. Geschiedenis Het Pelstergasthuis is het oudste gasthuis van Groningen. De stichtingsdatum is onbekend, maar ligt waarschijnlijk in de dertiende eeuw. Het gasthuis wordt voor het eerst genoemd in 1267 als Paus Clemens IV toestemming verleent om een kapel en een begraafplaats aan te leggen. De kapel, de Pelstergasthuiskerk, is daarmee het oudste nog bestaande deel van het gasthuis. Het heeft een fraai orgel van Hinsz uit 1774 en de oudste klok van Groningen (1459). In de 13e eeuw ontstond bij de kapel het 'hospitael ten Hillighen Gheeste', waar passerende vreemdelingen (pelgrims en zwervers), armen en zwakken werden verpleegd. Het gasthuis lag toen -zoals gebruikelijk was voor gasthuizen in die tijd- ongeveer tegen de stadsmuur aan, iets ten westen van de zuidelijke Herepoort. Reeds in de 14e eeuw kwamen er mensen die al hun bezittingen schonken aan het gasthuis om er vervolgens gratis te kunnen wonen, cq. zich een 'proveniersplaats' (van 'proeve', 'prove') inkochten. Tot 1342 was het Heilige Geestgasthuis waarschijnlijk het enige van Groningen (er zijn geen documenten bekend van andere gasthuizen in die tijd), maar in dat jaar werd door Appingedamse heremieten in Groningen een tweede convent opgericht (waarschijnlijk het Armen Convent dat in 1674 opging in het Armhuiszittend Convent). In 1422 werd als uithof vanuit het Heilige Geestgasthuis het Jurgiens Gasthuis (Sint Jurriënsgasthuis; in 16e eeuw buiten gebruik geraakt, in 1599 alle goederen bij Rode Weeshuis gevoegd) gesticht om dienst te doen als leprozerie voor 'Lazarusesche menschen'. In de 16e eeuw werd het steeds meer omgevormd tot een proveniershuis en uit die tijd dateren ook de eerste stukken omtrent voorwaarden die werden gesteld aan opname. In die tijd had de stad reeds in feite de macht over het gasthuis, want deze benoemde de voogden van het gasthuis. Na de Reductie van Groningen veranderde de functie van het gasthuis naar de 'huisvesting en onderhoud van zeer veele oude burgermannen en vrouwen'. Voordat het zover was werd in 1624 de 'provisorhof' (appelhof) verkocht. Een jaar later werd begonnen met de vernieuwing en herinrichting van het gasthuis, waarvoor in 1626 ook het kerkhof werd geëffend. In 1628 werd de ziekenhuiszaal (ten noorden van het gasthuis) verkocht om dienst te gaan doen als stadsmagazijn (opslag wapens en munitie). Op de achterpoort van het gasthuis staat nog het dubbel witte kruis, het embleem van de kruisridders en later ook van de Orde van de Heilige Geest. In 1629 werd de poort naar de Pelsterstraat geplaatst (hernieuwd in 1725). Andere delen van het complex werden volgens een opschrift verkocht, zoals de korenschuren richting de Nieuwstad en de moestuinen richting de Vismarkt. Ook werden delen heringericht tot giethuis of werkhuis. Het hele noordelijke deel van het oorspronkelijke complex verdween zo in andere handen. In 1645 brandde het bakhuis aan zuidzijde van het gasthuis af. Opschriften vermelden verschillende verbouwingen in de 18e eeuw, zoals een verbouwing van de voogdenkamer in 1751 en een verlenging van de kapel om deze in lijn te brengen met de voormalige ziekenhuiszaal tussen 1773 en 1774. In 1855 kreeg de gevel van de kapel een neoclassicistisch uiterlijk naar een ontwerp van Jan Maris. Het gasthuis werd tussen 1972 en 1978 gerestaureerd onder leiding van Coenraad Liebrecht Temminck Groll. Structuur Het gasthuis bevat onder andere drie binnenhofjes en een kapel. Onder het 13e-eeuwse complex ten westen van de kapel bevinden zich kelders met originele lampnissen (om kaarsen of olielampjes in te plaatsen). Erboven bevonden zich de weegkamer en de voogdenkamer (met stucplafond en schouw uit 1751). Haaks erop geplaatst staan huizenvleugels die oorspronkelijk uit de 14e eeuw stammen. Ten zuiden van de kerk ligt een hofje dat ontstond door de bouw van woningen aan de Nieuwstad in de 15e eeuw en de bouw van een poortvleugel langs de Pelsterstraat in de 16e eeuw, die rond 1860 werd bepleisterd. De westvleugel langs de Nieuwstad dateert uit de 17e eeuw (poortje uit 1636) en werd later verbouwd en bepleisterd (poortje in 1724). De overige vleugels aan noord- en westzijde van het gasthuis zijn van latere datum. Op een van de achterste hofjes staat een 19e-eeuwse gietijzeren pomp
Het Sint Anthonygasthuis is een gasthuis in de stad Groningen. Het ligt aan de Rademarkt tegenover het hoofdbureau van politie. Het gasthuis is gesticht in 1517. Er is geen stichtingsbrief bekend, aannemelijk is dat het gesticht is door het stadsbestuur. Het lag aan de rand van de toenmalige stad, tegen de stadsmuur aan. Die locatie zal bewust gekozen zijn, omdat het oorspronkelijk ook diende als pesthuis. Later kreeg het ook de functie van dolhuis, welke functie het complex tot 1844 heeft gehad. Een deel van de inkomsten kwam van de stadjers die zondags tegen betaling naar de gekken of dollen kwamen kijken. Na 1844 werd het een gasthuis voor ouden van dagen. In 1927 werd het complex nog uitgebreid. Tegenwoordig zijn de woningen beschikbaar voor alle leeftijden.
De Sint-Jozefkathedraal (voluit: de Kathedrale kerk van de H.H. Martinus en Jozef) is de kathedrale kerk van het bisdom Groningen-Leeuwarden. Zij is tevens een van de kerken van de Groningse binnenstadsparochie Sint-Martinus. De officiële naam volgens het bisdom is de Kathedrale kerk van de H.H. Martinus en Jozef. De kerk is een ontwerp van de architect Pierre Cuypers, met bijdragen van zijn zoon Joseph Cuypers. De kerk is in neogotische stijl gebouwd van 1885 tot 1887 en geconsacreerd op 25 mei 1887. De kerk werd aanvankelijk als parochiekerk gebruikt tot in 1970 de Sint-Martinuskathedraal aan de Broerstraat aan de eredienst werd onttrokken. In 1981 werd de Jozefkerk officieel de kathedraal van het bisdom Groningen-Leeuwarden. Bouw van de kerk werd destijds noodzakelijk geacht in verband met de aanleg van de nieuwe Oosterpoortwijk. Omdat daar veel arbeiderswoningen verrezen werd de kerk gewijd aan Sint Jozef, patroon van de arbeiders. Cuypers baseerde de vorm van de kerk op de Broederenkerk te Zutphen; een driebeukige basiliek zonder transept met forse steunberen en luchtbogen. Eerder gebruikte de architect hetzelfde voorbeeld bij het ontwerpen van de Sint-Vituskerk in Bussum. De naastgelegen pastorie werd ook door Cuypers ontworpen. Sinds 1906 bezit de Sint-Jozefkerk een hoofdorgel gebouwd door de Utrechtse firma Maarschalkerweerd. Het ontwerp van de toren is op twee punten bijzonder: De zeskantige vorm en het gebruik van gietijzer als materiaal voor de 76 meter hoge torenspits. Vanuit alle kijkrichtingen zijn er twee wijzerplaten te zien (wat bij een vierkante toren ook kan), en vaak zelfs drie (wat bij vierkante torens onmogelijk is). Het zien van drie klokken tegelijk werd door sommige schertsenderwijs gerelateerd aan de effecten van alcohol. Dankzij deze eigenaardigheid heeft de toren de bijnaam 'dronkemanstoren' gekregen.
Pepergasthuis
St Geertruidsgasthuis of Pepergasthuis
Het Martinikerkhof is een van de drie grote pleinen in de binnenstad van Groningen, door de eeuwen heen vooral omgeven door gebouwen met een kerkelijke of bestuurlijke functie. De andere twee zijn de Grote Markt en de Vismarkt. Het plein is een oase van rust in de binnenstad en dat terwijl het tot in de zeventiger jaren van de twintigste eeuw gebruikt werd als parkeerplaats. Nu is het voormalig kerkhof bijna volledig autovrij en ademt het de sfeer van een klein parkje. Prominent op het Martinikerkhof bevindt zich de Martinikerk met de Martinitoren. Ook de huizen aan de zuidkant van deze kerk (in het verlengde van de Sint Jansstraat) liggen aan het Martinikerkhof. Geschiedenis De oudste bewoning van het Martinikerkhof dateert uit de vierde eeuw voor het begin van de jaartelling. Op het plein stond van 1112 tot 1627 de Sint-Walburgkerk, een kerkburcht die diende als bolwerk van (de vertegenwoordiger van) de bisschop van Utrecht. De bisschop pretendeerde landsheer te zijn van Groningen, maar al in de 12e eeuw claimden de stadjers dat niet de bisschop maar zij zelf de Sint-Walburg hadden gebouwd. In hun strijd om zich te ontworstelen aan de heerschappij van de bisschop was de Walburg in de middeleeuwen een frequent strijdtoneel. Op de plaats van de kerk eerder al een tweetal houten gebouwen (het eerste ± 650), met mogelijk ook al een religieuze functie. Op de plaats waar ooit een waterput van de Sint-Walburgkerk was, staat sinds 1990 het kunstwerk 'Het Tiende Teken' (van het stadsmarkeringsproject ter gelegenheid van het 950-jarig bestaan van de stad), eveneens in de vorm van een put. De put, ontworpen door de Franse filosoof Paul Virilio, bedoelt 'uitzicht te geven op het middelpunt van de aardbol, waar verleden, heden en toekomst zich samenballen'. De hoekpunten van het kunstwerk verwijzen naar de negen andere stadmarkeringen. Het Sint-Walburgkerkhof als begraafplaats is in de 17e eeuw vervangen door het Nieuwe Kerkhof. Het Martinikerkhof (en ook de Martinikerk: voor de 'rijke stinkerds') is in gebruik geweest tot 1828 toen wettelijk niet meer binnen de stadsmuren mocht worden begraven. De oudste graven in het eerdere heidense grafveld liggen tot onder de Grote Markt en dateren uit de vijfde eeuw, die van het Martinikerkhof uit de 9e eeuw. Een gedenksteen (1810) herinnert aan Regnerus Praedinius (1510 - 1559), rector van de Sint-Maartenschool ter plaatse. Delen van de Sint-Maartensschool (1350) zijn nog herkenbaar in het Provinciehuis. Op de hoek met de Sint-Jansstraat een beeld (Norman Burkett, 1987) ter ere van dichter en Ploeglid Hendrik de Vries (1896-1960). De Vries was verbonden aan het Gemeentearchief dat was gevestigd in het tegenoverliggende pand. Van hem gaat het verhaal dat hij zijn lunchpauzes in de dakgoot van het gebouw doorbracht. Het beeld geeft een compositie van figuren uit het werk van de dichter weer en wordt bekroond door een portretkop van De Vries. Tegen de noordwand van de Martinikerk het provinciaal herinneringsmonument 1940-1945 'Sint-Joris en de draak' van Oswald Wenckebach (1959). In mei 2013 is op het Martinikerkhof een koningslinde geplant ter gelegenheid van de inhuldiging van koning Willem-Alexander. Aan de oostzijde van het Martinikerkhof staat het provinciehuis, waarin een oude gevel ingebouwd is die vroeger in de Oude Kijk in 't Jatstraat stond. Het gebouw aan het Martinikerkhof dateert uit 1917, achter dat gebouw ligt de voormalige Sint-Maartenschool uit de 16e eeuw die nu dienst doet als vergaderzaal voor Provinciale Staten. Aan de noordzijde ligt de Prinsenhof met daarachter de Prinsentuin. Tot september 2005 was hier de regionale omroep RTV Noord gevestigd. Het gebouw is verbouwd en is nu een hotel. Direct rechts van de Prinsenhof ligt de Gardepoort die toegang geeft tot de Turfstraat. In die straat een gerestaureerd wooncomplex, de vroegere turfschuur van het Prinsenhof. Op de hoek met de Sint Walburgstraat staat het gebouw van Kunstlievend Genootschap Pictura. Hier stond oorspronkelijk de oude weem van de Sint-Walburg. Aan de westzijde is in de negentiger jaren van de twintigste eeuw een kantoren- en appartementencomplex gebouwd, genaamd de Prefectenhof. Op die plek stond voordien het politiebureau, dat na het vertrek van de politie jarenlang een van de bekendste kraakpanden was in Groningen. De nieuwbouw sluit aan bij het verder monumentale karakter van het Martinikerkhof. De naam 'Prefectenhof' herinnert aan het in de middeleeuwen ter plaatse gelegen steenhuis van de prefect van Groningen, de vertegenwoordiger van de landsheer, de bisschop van Utrecht. Bij de bouw van de nieuwe Prefectenhof is archeologisch onderzoek verricht waarbij de fundamenten van de oude Prefectenhof konden worden blootgelegd.
Het Prinsenhof is een gebouw aan het Martinikerkhof in Groningen, op nr.23. Van circa 1040 - 1215 stond ter plaatse al de woning van de villicus, de toenmalige benaming van de vertegenwoordiger van de landsheer, de bisschop van Utrecht. Het gebouw was van origine (1436) eigendom van de Broeders des Gemenen Levens. In 1569 werd het de residentie van Johannes Knijff, de eerste bisschop van Groningen en Drenthe. Hij liet er vleugels aanbouwen met steen van het klooster Bloemhof bij Wittewierum. In 1576 werd het de residentie van stadhouder Rennenberg. Na de Reductie (1594) werd het gebouw de verblijfplaats van de stadhouders, de prinsen van Nassau, vandaar de naam Prinsenhof of Stadhoudershof. Overigens maakten die er niet veel gebruik van. De voornaamste residentie, ook van de Friese stadhouders, was in Den Haag of Leeuwarden. Na verregaande ontmanteling in 1795 werd het, het Nationaal hof. In 1808 (Frans) militair hospitaal; vanaf 1898 marechausseekazerne (Dragonderkazerne). Vanaf 1924 werd het gebouw verwaarloosd. In de dertiger jaren van de 20e eeuw geleidelijk gerestaureerd. Van 1945 tot 2005 was de regionale omroep RONO (later RTV Noord) hier gevestigd. Nadat het pand bijna zeven jaar leeg had gestaan opende in augustus 2012 op deze locatie Grand Café - Alacarte - Hotel Prinsenhof Groningen. De poort van de Prinsenhof is van 1642; gerestaureerd 1940, ter gelegenheid van het 900-jarig bestaan van Groningen als stad. De tuin achter de Prinsenhof, gelegen tussen het huis en de diepenring is de Prinsentuin. Naast het Prinsenhof, staat de Gardepoort. De poort stamt uit 1639 en verbindt de Turfstraat met het Martinikerkhof. Door het reeds bestaande pand is de poort gemaakt op verzoek van stadhouder Hendrik Casimir I, die destijds zetelde in het Prinsenhof. Het gebouw was het onderkomen van de ruiterwacht. In de jaren '90 is op de hoek van de Turfstraat een complex moderne woningen gebouwd. Op deze plaats stond eerder een schoolgebouw. Deze school heette de Prinsenhofschool en was een MULO/MAVO-school.
Aafyn Wilsoor, echtgenote van stadsdeurwaarder Jan Olthof, kocht in 1728 twee huisjes aan en had eerder al een huisje van haar vader geërfd. In 1740 liet zij testamentair vastleggen dat de huisjes na haar dood als gasthuis voor oude vrouwen zouden moeten gaan dienen, hetgeen na haar overlijden in 1766 ook geschiedde. In de 19e eeuw werden nog eens twee huisjes aangekocht, waarmee het totaal op vijf kwam. Het gasthuis heeft tot 1974 als zodanig gefunctioneerd.
Het Anna Varvers Convent of Vrouw Anna Varvers Gasthuis is een voormalig gasthuis in de Nederlandse stad Groningen. Het gasthuis werd op 30 mei 1635 (op het opschrift staat 1632) opgericht aan de Nieuwe Kijk in 't Jatstraat (nr. 12-16) door Anna Varvers (of Varwers), de weduwe van ene Andries Jaspers Varvers, als gasthuis voor vijf of zes vrouwen. De Sitter schrijft in 1794 dat sinds 1791 de helft van de acht inwonende vrouwen moest bestaan uit hervormden. Van der Aa schrijft in 1854 dat de helft uit katholieken moest bestaan. In 1975 verliet de laatste conventuaal het gasthuis. Daarna liet de voogdij het pand restaureren en verkocht ze daarop in 1981. Iets eerder, in 1973, was de voogdij van het gasthuis financieel deelnemer geworden van de Stichting Verenigde Groninger Gasthuizen, die in 1975 het Ripperdahuis en het Gorechthuis bouwde aan de Zaagmuldersweg 104.
Het Sint Martinusgasthuis is een hofje en voormalig gasthuis in de stad Groningen, dat is aangewezen als gemeentelijk monument. Het gasthuis is gelegen in de Grote Leliestraat in de Hortusbuurt, de straat met de meeste hofjes en gasthuizen van de stad Groningen. Ontstaan en bouw[bewerken] In 1869 werd de bouwaanvraag van de eerste woningen van het Sint Martinusgasthuis ingediend door de rooms-katholieke instelling van weldadigheid Liefde tot God en onze Evennaasten. De bouw van het gasthuis ging van start en rond 1880 konden de eerste rooms-katholieke, wat oudere bewoners een huisje in het gasthuis betrekken. Deze zgn. conventualen dienden zich wel fatsoenlijk te gedragen; ordeverstoring, onzedelijk gedrag e.d. was uit den boze. Pas in 1892 krijgt het gasthuis zijn huidige symmetrische vorm met het verrijzen van een aantal huisjes aan de straatkant. Nieuwe ontwikkelingen[bewerken] In de jaren '60 van de vorige eeuw kregen conventualen steeds minder belangstelling voor de huisjes en werden zij geleidelijk aan steeds meer vervangen door 'gewone' huurders van verschillende leeftijden. In 1987 wordt het gasthuis verkocht aan woningbouwvereniging Concordia (huidige naam: De Huismeesters), die het gasthuis grondig renoveert en verschillende huisjes samenvoegt. Momenteel wordt het Sint Martinusgasthuis voornamelijk bewoond door dertigers en veertigers.
Het Pieternellagasthuis is een gasthuis en hofje in de stad Groningen. Het gasthuis is gelegen in de Grote Leliestraat in de Hortusbuurt, een wijk in Groningen waar ook tal van andere gasthuizen zijn gevestigd. Geschiedenis In 1870 besloot Ludewé Vink, weduwe van Antoni Janson, tot stichting van het gasthuis. Dit ter nagedachtenis aan haar overleden drie echtgenoten en twee kinderen, een zoon genaamd Pieter en een dochter genaamd Pieternella. Dit verklaart de naam van het gasthuis. In 1871 kocht Ludewé Vink een terrein aan de Grote Leliestraat met o.a. een huis, een stal en een grote tuin. Twee jaar later liet ze de gebouwen slopen en gaf opdracht tot de bouw van 21 kleine woningen. In 1877 overleed Ludewé Vink, enkele maanden daarna was de stichting van het gasthuis officieel een feit. Voorwaarden aan bewoners[bewerken] De voorwaarden om in het gasthuis te mogen wonen waren vrij streng: men moest een 'voorbeeldige levenswandel' hebben. Dat hield in dat men bijvoorbeeld geen overlast mocht veroorzaken en zich niet mocht vergrijpen aan alcohol. Bovendien kregen schippers voorrang voor een woning in het gasthuis omdat Janson -de laatste echtgenoot van Ludewé Vink- reder was geweest. In de 20e eeuw vervaagden de criteria voor nieuwe bewoners, wel is het zo dat het bestuur van het gasthuis nog steeds beslist over nieuwe bewoners. Uitbreiding en samenvoeging[bewerken] In de decennia na de bouw van het gasthuis werd het gasthuis verschillende keren uitgebreid, dit door middel van het aankopen van panden in de directe omgeving (onder meer aan de Havenstraat). Ook werd een pand aan de Noorderhaven aangekocht, waar de zogenaamde voogdenkamer in werd gevestigd. Deze kamer is overigens nog steeds de plek waar het bestuur van het gasthuis vergadert. Eind jaren '60 werden twee van de oudste gedeelten van het gasthuis gesloopt, en enkele andere woningen werden samengevoegd.
Het Middengasthuis is een hofje gesitueerd aan een groot binnenterrein aan de noordzijde van de Grote Leliestraat in de stad Groningen. 19e eeuw Het Middengasthuis is gebouwd in opdracht van het Algemeen Diakengezelschap. In 1873 opende deze vereniging van diakenen en oud-diakenen van de Nederlands-hervormde gemeente in de nabijgelegen Kleine Rozenstraat een instelling met de naam Middengasthuis. Het succes van dit gasthuis leidde in 1895 tot een tweede en groter Middengasthuis. Het was bestemd voor ‘fatsoenlijke, oppassende handwerkslieden en dienstboden’ van hervormden huize en ouder dan 55 jaar. De naam Middengasthuis verwees naar de bewoners. Zij waren voor de meeste andere gasthuizen ‘te minvermogend’, maar voor het diaconiegasthuis ‘te goed’. In verband hiermee betaalden de conventualen (gasthuisbewoners) van het Middengasthuis een relatief lage inkoopsom. De voogden van het Middengasthuis kochten begin 1895 ‘eenige huizen met erf en tuin’ aan de Grote Leliestraat en presenteerden een plan voor de bouw van 29 huizen. Het zeven jaar oude huis van vorige eigenaar Kool bleef staan (nr. 55-57), maar ter verbreding van de toegang ging een ander pand plat. Ook een tuinkoepel sneuvelde voor het door Nicolaas Willem Lit ontworpen gasthuis, dat werd opgeleverd vlak voordat op 14 september de officiële eerste steen werd ingemetseld! Enkele maanden later werd er, naast de toegang nog een ‘winkelbehuizing’ aan het complex toegevoegd (nr. 51). 20e eeuw Vele decennia voldeed het Middengasthuis, maar net als er bij andere gasthuizen kwam er in de jaren zestig van de twintigste eeuw de klad in. Op 9 oktober 1968 nodigde het gemeentebestuur de voogden van de beide Middengasthuizen en een aantal andere gasthuizen uit voor een gesprek over de toekomst. Het leidde tot de Stichting Verenigde Groninger Gasthuizen, die in 1975 twee nieuwe gebouwen opende aan de Zaagmuldersweg. Het Middengasthuis werd verkocht aan woningbouwvereniging Concordia (nu De Huismeesters), die het in 1986-'87 renoveerde.
De Nieuwe Kerk is een protestantse kerk in de stad Groningen, gelegen op het Nieuwe Kerkhof in de Hortusbuurt. De naam "nieuwe" kerk is een verwijzing naar de "oude" Sint-Walburgkerk. Oorspronkelijk heette het kerkhof het Nieuwe Sint-Walburgkerkhof. Beschrijving Na de Reductie van Groningen in 1594 ontstonden er al snel plannen om de stad fors uit te breiden. De eerste plannen dateren van 1608, maar pas in 1625 kwamen de nieuwe vestingwerken klaar. In de nieuwe uitleg moest ook een nieuwe kerk komen naar het voorbeeld van de Noorderkerk in Amsterdam. Het is de eerste in Groningen die werd gebouwd voor de protestantse eredienst (de Martinikerk en de Der Aa-kerk waren van oorsprong katholieke kerken). Met de bouw is begonnen in 1660. De Nieuwe Kerk is gebouwd in renaissancestijl met een plattegrond in de vorm van een Grieks kruis, bekroond met een kleine vieringtoren. In de oksels zijn driehoekige woningen gebouwd. Er was op het nieuwe kerkhof al een begraafplaats. Hier werden vroeger de pestdoden begraven (toen dus nog buiten de stad). Inmiddels heeft de begraafplaats plaatsgemaakt voor een grasveld met oude bomen. Het orgel in de Nieuwe Kerk is in 1831 gebouwd door J.W. Timpe naar een ontwerptekening van P. van Oeckelen. Dit is opmerkelijk, omdat Van Oeckelen het orgelmakersvak waarschijnlijk juist bij Timpe geleerd heeft. Bij het ontwerp heeft Van Oeckelen zich klaarblijkelijk laten inspireren door het beroemde front van het hoofdorgel van de Grote of Sint-Bavokerk in Haarlem van Christian Müller, gelet op sommige details. Later werkten P. van Oeckelen en J. Doornbos aan het orgel, waarbij de dispositie enigszins werd gewijzigd. In de periode 1976-1980 is het gerestaureerd door de firma Ernst Leeflang. Een tweede grote restauratie volgde in 2008-2009. Het bezit 42 registers, verdeeld over hoofdwerk, rugpositief, bovenwerk en pedaal. Het bevindt zich op de orgelgalerij aan de westzijde van de kruisvormige kerk.
Infoversum is het nieuwe culturele hoogtepunt in de noordelijke regio. De zaal biedt plaats aan 265 tot 400 bezoekers. Ook is er een ruimte voor tentoonstellingen, een horecagelegenheid en een dakterras. In Infoversum komen: 3D full-dome film producties Live shows Kunst en cultuur evenementen Interactieve tentoonstellingen Conferenties en workshops DE FULL-DOME BELEVING Infoversum is het eerste 3D full-dome theater in Nederland. De haarscherpe digitale 3D projectie op een halve bol van 20 meter zorgt voor een bijzondere beleving in beeld en geluid.

Commenti

    You can or this trail